U bevindt zich hier:Start >> Mijn gemeente > Geschiedenis

Geschiedenis

Geschiedenis van Pepingen

Bij de jongste fusie van steden en gemeenten (1976-1977) kwam door samenvoeging van de gemeenten Beert, Bellingen, Bogaarden, Elingen, Heikruis en Pepingen Groot-Pepingen tot stand.

Het is niet zeer duidelijk waar de oorsprong van de naam Pepingen ligt. In een oorkonde van 1164 wordt er melding gemaakt van een genaamde Elyas van Papenghien. In 1235 wordt de naam Pepingen vernoemd ter gelegenheid van de overdracht van een klooster gelegen op de Varenberg (ook Onze-Lieve-Vrouwberg) genoemd, in dezelfde akte wordt de gemeente "Papinghen" of "Papenghien" genoemd. Pepingen zou een verbastering zijn van Paap-inghen, waarin men het woord paap (= priester, monnik) terugvindt. Inghen zou weide betekend hebben, zodoende dat Pepingen zoveel zou willen zeggen als : weide toebehorende aan monniken of kloosterlingen. Een andere verklaring is dat Pepingen afkomstig zou zijn van de persoonsnaam PAPA. Een hof met eigen grond, het Pepingenveld (hetgeen wijst op een Frankische vestiging), dat later de naam heeft gegeven aan de dorpskern. Van de vroege voorgeschiedenis van Pepingen is weinig bekend. De eerste inwoners vestigden zich op vruchtbare en drogere heuvelskammen, waar in de nabijheid een bron of water te vinden is. Achter het domein Maenebroek werden in de vorige eeuw een 17-tal silexwerktuigen gevonden. In het Romeinse tijdperk liep er een belangrijke verbindingsweg van Bavai naar Asse, van daar naar Rumst en vermoedelijk dan naar de Maas en Rijn-delta. Deze weg volgde de huidige provinciale baan Edingen-Asse. Er zou een aftakking van deze Romeinse weg geweest zijn die over Kattenhol te Beert en Musain te Saintes naar Rebecq liep. Een andere aftakking zou vertrokken zijn van nabij Puttenberg (scheiding Beert/Pepingen) over Elbeek naar Bons-Villers (Liberchies). Het Romeinse Rijk kwam in verval en Germaanse stammen (Franken, Alamanen) gaan herhaaldeijk binnenvallen. Zulke invallen gingen gepaard met plunderingen en verwoestingen. In deze tijd van nood verstopten de mensen dan ook hun geld en vluchtten weg. Muntschatten werden gevonden te Gooik, te Leerbeek en te Herfelingen. Deze muntschatten werden verstopt rond het midden van de derde eeuw en de tweede helft van de derde eeuw. De Romeinse kolonisatie eindigde in onze streek vroegtijdig, waarschijnlijk tegen het einde van de derde eeuw. Er zijn geen vondsten van Frankische nederzettingen of geschriften met betrekking hierop gevonden, maar de Frankische kolonisatie in onze streek kan vastgesteld worden aan de naamgeving van de dorpen, gehuchten en localiteiten. De Franken zullen zich gevestigd hebben op de betere gronden, reeds ontgonnen in de tijd van de Gallo-Romeinen.

SchapenherderPepingen is momenteel een uitgesproken straatdorp langs de weg Leerbeek-Halle. Men mag hierbij echter niet uit het oog verliezen dat deze verkeersweg pas na 1778 aangelegd werd en derhalve het ontstaan van de site niet kan beïnvloed hebben. Voorheen was Pepingen echter een driesdorp waarschijnlijk ontstaan in de Frankisch-Merovingische tijd (5de-8ste eeuw) als een nederzetting van veetelers. De driezijdige structuur van het Frankische dorpsplein bleef, ondanks recente verfraaiingswerken, grotendeels bewaard. De plaatsnamen eindigend op -ingen, -engen, -engem en -gem zijn afkomstig van -inaghem (wat wil zeggen het huis, het hof van de familie van,...) wijzen op een Frankische oorsprong. Bijvoorbeeld Buvingen, dit zou dan afkomstig zijn van de persoonsnaam Bovo. Dit was vermoedelijk de naam van een hof, nu van een klein gehucht. Karel de Grote (747-814) gaat vanaf zijn aantreden als koning van het Frankische éénheidsrijk verschillende veldtochten organiseren, onder andere tegen de Saksen (Saksenmoord van Verden). Na ze verslagen te hebben, werden verschillende grote groepen Saksen uit hun stamgebied (in Noordduitsland, in het gebied van de Elbe) naar hier gedeporteerd. Deze zullen zich tevreden moeten stellen hebben met niet-ontgonnen en nattere (mindere) kwaliteit van gronden (bijvoorbeeld te Bellingen). Namen eindigend op -ingen, kunnen ook afkomstig zijn van -ingas (dit wil zeggen familie of volk van) hetgeen dan op een Saksische oorsprong wijst. Het Frankisch nederzettingspatroon was het hofsysteem en het Saksisch nederzettingspatroon is het dorpssysteem. Bijvoorbeeld Plutsingen, afkomstig van de naam met Saksische herkomst : Plutso. Na de dood van Karel de Grote viel het rijk in verschillende delen uitéén en kwam het feodaal stelsel tot stand, dat gekenmerkt wordt door het leenstelsel. "Groot-Pepingen" lag in een grensgebied tussen het graafschap Henegouwen en Leuven, dat later zou opgaan in het hertogdom Brabant. Er ontstaat een machtsstrijd tussen het graafschap Henegouwen en het graafschap Brabant, waarin de Heren van Edingen, dikwijls de toestand nog ingewikkelder maakten door nu eens aan te leunen bij het graafschap Brabant, dan weer eens aan te leunen bij het graafschap Henegouwen. De situatie van Beert, Bogaarden, Pepingen en Bellingen was zeer ingewikkeld en de beide machtsblokken (Henegouwen en Brabant) hadden in deze gemeenten enclaves in elkaars gebied. Het feit dat de grenzen van deze gemeenten heden een grillige vorm vertonen, is een erfenis uit deze tijd.

Hoeve KattenholBeert - De naam zou afkomstig zijn van het woord Brac (modder, slijk) of van het Teutonisch Braak, wat dal betekent. Het gebied was het erfgoed van Gertrudis van Nijvel en werd afgestaan aan de abdij van Nijvel. Door erfenis kwam het gebied van Nijvel (ook Beert) in het bezit van de graaf van Leuven, later kwam Beert door huwelijk onder het huis van Edingen, maar het bleef een Brabantse enclave in het graafschap van Henegouwen. In de 18de eeuw kwamen Beert, samen met Beringen (gehucht van Pepingen) en Bogaarden in het bezit van de familie De Croix en ze hadden toen één gemeenschappelijk schepenbank. Het huidige dorpscentrum is gelegen in de bovenloop van de Groebegracht. De kernbewoning is evenwel zeer beperkt gebleven. Ook langs de Eikstraat situeerde zich reeds vroeg een relatieve concentratie aan boerderijen. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelde zich langs de Hondzochtstraat, nabij het spoorwegstation, een kleine wijk met heel wat drankgelegenheden. Het voormalig station van Beert-Bellingen, gelegen op de lijn Brussel-Doornik, is thans echter afgebroken. Als fait divers voegen we hieraan toe dat in Beert enkele Vlaamse feuilletons opgenomen werden.

Hoeve CantempréBellingen - De naam van deze gemeente wordt in 1244 vermeld als Bellinghen. Bellingen maakte aanvankelijk deel uit van het grondgebied van de Nijvelse Sint-Geertrui-abdij. In de middeleeuwen en het Ancien Régime maakte het deel uit van het uitgestrekte baljuwschap van Edingen. De heren van Edingen hebben hier een vestiging, genaamd Wanaken, gebouwd (heden verdwenen). Bellingen heeft zijn ontstaan mede te danken aan de oprichting van een priorij van de orde van de H. Augustinus in 1182. Dit klooster hing af van de Augustijnerabdij van Cantimpré nabij Cambrai in Frankrijk. In 1580 werd het klooster dermate verwoest, dat alle kloosterlingen naar de priorij van Bellingen kwamen, hier werden dan verschillende gebouwen bijgebouwd. Bellingen kende dan ook een welvaartsperiode en groeide uit tot een abdij. In 1677 wordt de zetel van de abdij terug overgebracht naar Kamerijk en bleef toen maar bewoond door een prior en vier monniken. Als gevolg van de Franse revolutie werden de eigendommen van het klooster verkocht als nationale goederen en deze kwamen deze in het bezit van de familie Claes. Er wordt verteld dat toen de Fransen de kannuniken kwamen uitdrijven, deze menigvuldige bijenkorven over de uitdrijvers uitschudden, die zich dan "onder vreselijke pijnen" moesten terug trekken. Heden ontbreekt een wezenlijk dorpscentrum. Langs de Trapstraat, die dwars doorheen de vallei van de Bellingenbeek loopt, manifesteert zich een relatieve concentratie van woningen. De voormalige kloosterkerk van de augustijnenpriorij fungeert thans als parochiekerk maar de omgeving ervan kan geenszins als een dorpscentrum ervaren worden.

Bogaarden - In een akte van 1215 wordt de naam Boomgaarden reeds vermeld. Het behoorde zoals Beert tot het erfdeel van Gertrudis van Nijvel. Later kwam Boomgaarden, door huwelijk in de invloedssfeer van het huis van Edingen, maar het bleef een Brabantse enclave (zoals Beert) in het graafschap Henegouwen. De schepenen spraken er het Ukkels recht, weliswaar in de naam van de heren van Edingen. In 1670 is Boomgaarden tot graafschap verheven. Het huidige "Brabantse" Bogaarden ligt op een heuvelrug (65 à 70 meter), nl. de waterscheidingskam tussen twee zuidnoord gelegen valleitjes in de vertakte bovenloop van het Zuunbekken. Bogaarden was en is nog steeds een uitgesproken kerndorp met een concentratie van de huizen rondom de kerk.

Elingen - behoorde tot het domein van "Leeuw" en is daardoor tot het hertogdom Brabant gekomen. Tot diep in de 17de eeuw behoorde Elingen tot het land van Gaasbeek. Elingen behoorde tot de goederen van de Sint-Pietersabdij van Gent, hetgeen zo bleef tot aan de Franse revolutie. Het "Brabantse" Elingen is altijd een zeer bescheiden nederzetting geweest en tot op heden gebleven. De kerk situeert zich bij de kruising van intergemeentelijke verbindingswegen. Enkele ruime kwadraathoeven zijn sfeerbepalend voor het landelijk uitzicht van de dorpskom. In contrast met de andere deelgemeenten waar de gemeentegrenzen vaak met beekjes of wegen samenvallen, bestaat de gemeentegrens van Elingen uit een hoekige aaneenreiging van willekeurige perceelsgrenzen.

Heikruis - In het jaar 1024 werd er een kruis opgericht door Hado (Hadonis crucem). Men mag dus niet veronderstellen dat deze naam iets te maken heeft met heide. Met de plaatsing van dit kruis wou hij aan de Heer bescherming afsmeken over deze vooruitgeschoven post van de versterkte villa Lettelingen. Het maakte tot 1815 deel uit van Henegouwen met het gevolg dat het Frans er zolang de officiële voertaal bleef. Het eerste kasteel van "Ter Rijst" (wat er op wijst dat er veel rijsthout werd gevonden onder de bomen van het bos) of beter genoemd "huis" werd in 1169, op bevel van de graaf van Henegouwen verwoest. Het kasteel werd voor 1234 weer opgebouwd. De familie Van der Noot heeft geruime tijd dit kasteel in haar bezit gehad. Walter Van der Noot, ridder, kamerheer van de hertog van Brabant, Filips de Goede, heeft het domein Terrest verworven op 30 maart 1464. In 1480 werd er een nieuw kasteel met vijver opgericht. Tijdens de Spaanse overheersing in de 16de eeuw, is Jaspar Van der Noot in dienst getreden van Egmont. Hij heeft een complot gesmeed om Alva in handen te krijgen en Egmont (die zich in de gevangenis van Gent bevond) te bevrijden. Dit plan mislukte door verraad van een soldaat. Egmont werd onthoofd. Jaspar Van der Noot is dan moeten vluchten en hij heeft zich ten dienste gesteld van de legers van Oranje. Hij was de eerste ritmeester (kolonel van de formaties ruiterij) der Geuzen; de familie Van der Noot was Calvinist geworden. Het goed komt dan in de handen van de familie Völler (Rooms-Katholiek). In 1868-1869 heeft de burggraaf de Nieulant gemeend het oude kasteel te moeten "opsmukken" en de oude versterking werd sterk verminkt (de torens werden oa afgebroken). De dorpskom van Heikruis ligt op de waterscheidingskam van het Zuun- en het Laubecqbekken (twee zijrivieren van de Zenne), meteen ook het hoogste punt (+91m) van Groot-Pepingen. Van de oorspronkelijke dries (= driehoekig dorpsplein) bij het T-kruispunt van de Neerstraat en de Heikruiseplaats is niets bewaard gebleven. Thans is Heikruis een straatdorp met het ursulinenklooster (+ aanhorigheden zoals kloosterhoeve) en de natuurstenen kerk aan de ene zijde van de straat en de pastorie, het cultureel centrum en enkele woningen aan de overkant. Het zuidelijke gedeelte van de gemeente heeft een uitgesproken agrarisch karakter met her en der kwadraathoeven. Het bos ter Rijst en het bois de Strihou strekken zich uit aan beide zijden van de taalgrens.
De heerlijkheid van Pepingen of van Hontoy Deze bestond ook uit een kasteel en gronden. Deze heerlijkheid heeft aan de Waalse familie d'Herbais toebehoord van de 14de tot het begin van de 19de eeuw. Vele heerlijkheden waren vaak ook lenen, maar een heerlijkheid kon ook een eigen bezit zijn.

De heerlijkheid Kestergat (= poort naar kester, bestond uit een kasteel, hoven, gronden,..) was zeer uitgestrekt en behoorde vroeger, zoals gans het grondgebied van Pepingen, aan de familie van Edingen. Wegens belangrijke geldmoeilijkheden is deze heerlijkheid in openbare veiling te koop aangeboden in 1671 en is dan ook zo in het bezit gekomen van de familie van der Dussen. Kestergat en Beringen (= weide der wilde varkens) werden pas in 1820 territoriaal aan Pepingen toegevoegd. Er waren nog andere heerlijkheden, zoals bijvoorbeeld de heerlijkheid Termeren of Ter-Meren, Puttenberg, Meynenbroeck, Terloo en Ledale (normaal den Daal genoemd). Op geestelijk vlak behoorden de gemeenten Beert, Bogaarden, Bellingen en Pepingen tot het bisdom Kamerijk. In de gemeenten treft men ook "Stevenisten" aan, een afscheuring in de katholieke kerk, die tot stand is gekomen nadat Napoleon Bonaparte het concordaat met de vertegenwoordiger van Paus Pius VII heeft getekend op 15 juli 1801. De Stevenisten werden genoemd naar de voorgaande Vicaris-Generaal, Mr Stevens van het bisdom Namen. Ze wilden de pas door de Fransen benoemde Vicaris-Generaal niet erkennen. De Stevenisten stelden dat de Paus het concordaat slechts onder dwang had getekend, dat de bischoppen niet veranderd mochten worden, dat de afgeschafte feestdagen weer in voege moesten treden, m.a.w. dat alles moet bewaard blijven zoals het voorheen was. In het naburige Leerbeek hebben de Stevenisten hun kerk. Pepingen ligt in een vrij vruchtbare streek, die gekenmerkt wordt door Iperiaanklei (vrij ondoordringbaar, waarop men water kan vinden, hetzij via bronnen, hetzij via putten) die bedekt is met een zandleemlaag waarvan de dikte kan variëren van een meter tot meer dan tien meter dikte. Pepingen heeft zijn landelijk karakter tot heden vrij gaaf kunnen bewaren (en kan dit hopelijk nog verder bewaren) waarbij gedurende lange tijd de agrarische activiteit de hoofdactiviteit was. Heden leven er veel mensen die een ander beroep uitoefenen en die meestal gaan werken in Brussel en in omliggende steden.

Voor wie nog meer van de geschiedenis van onze streek wil te weten komen, worden de volgende werken aanbevolen : Jef Vrancken, Pajottenland, een land om lief te hebben, uitgave opbouwwerk Pajottenland. Roger Desmet, Zuid-Pajottenland, speurtocht naar de geschie denis van dorp en streek, deel 1, van de préhistorie tot Karolingers, uitgave vzw Bellingahaim. Roger Desmet, op cit, deel 2, de feodale tijd. Leopold Everaert en Jean Bouchery, De Geschiedenis van Klein Waalsch Brabant, Antwerpen 1878. Blauwe vogel, Geo-Gids, Zuid-Pajottenland, Galmaarden, Herne en Pepingen. Lindemans J., De Frankische kolonisatie in Brabant, ESDB (Eigen Schoon en de Brabander, jg XX, 1937, blz 85-93; 197- 200; 366-374).